Optioneel belastingplicht voor onroerende verhuur vanaf 1 januari 2019

Marc De Keyser | Geplaatst op 1 augustus 2018

Op 31 juli 2018 werd een wetsontwerp tot wijziging van het wetboek van de belasting over de toegevoegde waarde ingediend bij de Kamer.  Het wetsontwerp voert een optioneel belastingplicht in voor onroerende verhuur. 

Aan die wijziging is tevens een aanpassing van de regels inzake de maatstaf van heffing, alsook van de herziening van de btw verbonden. Om de maatstaf van heffing te bepalen voor de belaste verhuren van de gebouwen wordt toepassing gemaakt van de normale waarde van de verhuurdienst. In dit kader wordt ook toepassing gemaakt van een bijzonder herzieningstermijn van vijfentwintig jaar.

Daarnaast voorziet het ontwerp in een aanpassing van de uitsluiting voor de vrijstelling voor onroerende verhuur. De kortstondige verhuur van uit een aard onroerende goederen die gebruikt worden anders dan voor bewoning voor een periode van minder dan 6 maanden, zal met name verplicht onderworpen zijn aan de btw. Daarnaast voert het ontwerp een versoepeling in voor de verhuur van bergruimte.

Optionele btw-plicht

Zoals reeds aangegeven in een eerder bericht, had de ministerraad een akkoord bereikt over de invoering van een optionele belastingplicht voor onroerende verhuur. De regeling voorziet een aantal belangrijke wijzigingen in vergelijking met het oorspronkelijk ontwerp.

Grondvoorwaarden voor de optionele btw-plicht

  1. De verhuur moet betrekking hebben op gebouwen of gedeelte van gebouwen;
  2. Het gebouw wordt verhuurd aan een belastingplichtige huurder die het gebruikt in het kader van zijn economische activiteit die hem de hoedanigheid van belastingplichtige verleent.

Vormvoorwaarde

De belastingheffing op de verhuur van de betrokken goederen is maar mogelijk mits daarvoor uitdrukkelijk wordt geopteerd. Zowel de huurder als de verhuurder moeten gezamenlijk opteren.

De specifieke modaliteiten van de optie moeten nog worden geregeld.

Voor de btw-administratie zal het echter volstaan dat de optie wordt uitgeoefend in de huurovereenkomst.

Kortstondige verhuur onderworpen aan de btw

Het ontwerp voorziet in een nieuwe uitzondering op de vrijstelling voor de kortdurende verhuur, i.e. de verhuur voor een periode van niet meer dan zes maanden.

De nieuwe regeling is o.a. van toepassing op de kortdurende verhuur van congres-, seminarie-, vergader- of feestzalen evenals beurs- en tentoonstellingsruimten. Daarentegen worden niet bedoeld en blijven bijgevolg in principe vrijgesteld de verhuur van onroerende goederen voor bewoning, ongeacht of het gaat om privéwoningen, om woningen die als hoofdverblijfplaats of als tweede verblijfplaats worden gebruikt, om vakantiewoningen, om studentenverblijven of woningen voor beroepsdoeleinden in het kader van bijvoorbeeld, de organisatie door een onderneming van een verblijf (e.g. teambuilding) aangeboden aan haar personeelsleden.

Worden evenmin bedoeld onder de belastingheffing van rechtswege en blijven derhalve vrijgesteld van btw:

  • de verhuren voor andere doeleinden dan de economische activtiteit aan particulieren, vzw’s en andere niet-btw-plichtigen;
  • de verhuur voor korte duur aan bepaalde organisaties waarvan de sociaal-culturele activiteiten bedoeld zijn in artikel 44, paragraaf 2 wetboek btw.

Terbeschikkingstelling van opslagruimte

Met ingang van 1 oktober 2018 wordt de btw-regeling voor de terbeschikkingstelling van bergruimte aangepast. De diensten zijn niet vrijgesteld indien het gaat om gebouwen die hoofdzakelijk gebruikt worden als bergruimte voor het opslaan van goederen.  Hiermee wordt bedoeld de ruimten die voor meer dan 50% aangewend worden voor de opslag, zonder meer dan 10% aangewend te worden als verkoopruimte. Deze uitsluiting is niet van toepassing in het geval de verhuur onder btw kan vallen bij wijze van optie.

Inwerkingtreding

De optie zal pas kunnen worden uitgeoefend vanaf 1 januari 2019. De optie kan enkel worden uitgeoefend voor overeenkomsten die betrekking hebben op gebouwen of gedeelten van gebouwen waarvoor de belasting op de werken in onroerende staat in de zin van artikel 19, § 2, tweede lid, van het Wetboek met betrekking tot het gebouw die specifiek bijdragen tot de oprichting ervan, ten vroegste op 1 oktober 2018 voor de eerste keer opeisbaar is geworden.

Alle handelingen die intellectueel van aard zijn, of meer in het algemeen, immaterieel van aard zijn  alsook alle werken die betrekking hebben op de volledige voorafgaandelijke afbraak van een gebouw en alle werken die betrekking hebben op de grond worden niet aangemerkt als werken in onroerende staat die strekken tot de oprichting van een gebouw. De gebouwen waarop reeds kosten van architecten of afbraakwerken werden opgelopen vóór 1 oktober 2018, kunnen dus onder optie voor btw vallen.

 

Voor een volledige weergave van het ontwerp zie: Wetsontwerp 31 juli 2018

Mocht u vragen hebben over de nieuwe regeling, aarzel niet om contact te nemen.

Contacteer mij

Marc De Keyser

Marc De Keyser
+32 (0)472 98 19 49
marc@dekeyserconsulting.be


Deel dit bericht

Een vraag in verband met dit artikel?

Stel ze hier. Wij antwoorden u zo snel mogelijk en misschien wordt uw vraag wel gepubliceerd op deze website!

0 antwoorden

Plaats een Reactie

Meepraten?
Draag gerust bij!

Geef een reactie